Herken je dat? Het is zaterdagochtend, de kinderen hangen aan je benen en de regen heeft net pauze genomen. Een moestuinbak vullen met je kleine hulpjes lijkt dan een heerlijk idee, tot je je afvraagt waar je moet beginnen. Dit is een voorbeeld van een gewone zaterdag in een gezin met een kleuter en een peuter, stap voor stap uitgewerkt.
8:30 uur: de bak en de plek kiezen
Het gezin heeft een houten bak van 80 bij 80 centimeter gekocht. Dat is klein genoeg om met kleine armen overal bij te kunnen. Vader en moeder zetten de bak op een plek die een groot deel van de dag zon krijgt, vlak bij de achterdeur. Dat is bewust gedaan: wat dichtbij staat, wordt vaker bekeken en van water voorzien. Een bak helemaal achterin de tuin raakt snel vergeten.
Onder in de bak gaat een laag worteldoek of karton, zodat onkruid van onderaf geen kans krijgt. Daarna staat alles klaar voor het leukste deel: de grond.
9:00 uur: de grond erin scheppen
Kinderen vinden vullen geweldig. Geef elk een eigen schepje of een oude beker en laat ze het werk doen. Dat gaat niet snel en niet netjes, maar het hoort bij de beleving.
Welke grond je gebruikt, bepaalt voor een groot deel of de zaadjes het goed doen. Gewone grond uit de achtertuin is vaak te zwaar of te arm voor een bak. Daarom kiest het gezin voor Tuinaarde die los en voedzaam is, zodat wortels makkelijk groeien en water goed wordt vastgehouden. Een bak van 80 bij 80 centimeter en 20 centimeter diep heeft ruim 120 liter nodig, dus reken vooraf even uit hoeveel zakken je nodig hebt. Het is vervelend als je halverwege zonder grond zit met twee ongeduldige kinderen.
Let op de samenstelling. Kies je voor een kindvriendelijke tuin, dan is een biologische en turfvrije variant een prettige keuze. Vul de bak tot een paar centimeter onder de rand, zodat water er niet meteen overheen loopt.
10:00 uur: kiezen wat er groeit
Hier gaat het vaak mis: er wordt iets gekozen wat weken duurt, en dan haakt een kind af. Kies daarom groenten die snel resultaat geven en die kinderen graag eten.
- Radijs: kiemt snel en is vaak al na een paar weken oogstklaar.
- Sla (pluksla): je kunt telkens een paar blaadjes plukken.
- Kerstomaatjes: als plantje kopen is makkelijker dan zaaien, en de rode vruchtjes zijn een feest.
- Bosbonen of erwten: grote zaden die kleine vingers goed kunnen vasthouden.
- Kruiden zoals bieslook of munt: ruiken lekker en groeien goed.
Laat elk kind zijn eigen hoekje kiezen. Zo hoort er iets van hen in de bak, en dat verhoogt de betrokkenheid.
10:30 uur: zaaien, water geven en een naambordje
Maak met een vinger een gaatje of een kleine geul. Een ijslollystokje werkt prima als meetlat. Leg de zaadjes erin, dek ze lichtjes af en geef water met een gieter of een plantenspuit. Kleine gieters zijn handiger dan een zware tuinslang.
Laat de kinderen daarna zelf een naambordje maken van een stokje met een getekend plaatje. Dat is meteen een knutselmoment, en het helpt je later onthouden wat waar zit.
Daarna: klein beginnen en het plezier bewaren
De dagen na het zaaien zijn het spannendst. Spreek af dat het water geven een vaste taak is, bijvoorbeeld na het tandenpoetsen of voor het avondeten. Kijk samen of er al iets te zien is, ook als het nog niets is. Niet alles lukt: een zaadje komt niet op, een slak vreet een blaadje. Maak daar geen drama van. Het hoort bij tuinieren en kinderen leren er veel van.
Houd verwachtingen laag en de sfeer luchtig. Eén bak, een paar soorten en een zaterdagochtend zijn genoeg om te beginnen. Als je kind na een paar weken trots een radijsje uit de grond trekt, weet je waarom je eraan begon.
Over de auteur: Jennifer schrijft op Mommystories over het gezinsleven, van kleine uitdagingen tot de momenten die je bijblijven.


